...brengt techniek en persoonlijke ontwikkeling bij elkaar

Het schillenmodel van bateson

 

In het model van Bateson wordt een individu vergeleken met een ui. Verschillende lagen (schillen) liggen als bij een ui om elkaar heen. De buitenste schil van de ui is die van het gedrag van het individu, datgene wat door de omgeving kan worden waargenomen. De omgeving is geen onderdeel van het individu, maar beïnvloedt dit wel en andersom. Als bij een ui kun je de schillen pellen tot steeds een laagje dieper, tot aan de kern.

 

Het model bevat vijf schillen, te weten:

  • Gedrag
  • Kwaliteiten
  • Overtuigingen
  • Identiteit
  • Kern

 

Omgeving (situatie)

Welke mogelijkheden en beperkingen legt de omgeving jou op? Hoe ga je om met de tegenkrachten uit jouw omgeving? Wat heb je nodig van jouw omgeving om jouw competentie uit te kunnen drukken? Of, in welke omgeving komt je competentie het beste tot haar recht?

De vragen die bij het omgevingsniveau passen, zijn: Waar pas ik? Waar reageer ik op?

 

Gedrag (Ik doe …)

Op het niveau van gedrag gaat het erom wat je precies doet in een bepaalde situatie. Bij het ontwikkelen van een competentie betekent dit dat je andere dingen leert te doen. Met andere woorden: Hoe handel je zo effectief mogelijk in jouw (werk)omgeving? Welke vaardigheden kun je nog ontwikkelen om effectief gedrag te laten zien? Waar loop je tegenaan wanneer je daadwerkelijk tot actie wilt overgaan?

De vraag die bij deze schil past, is: Wat doe ik?

 

Kwaliteiten (ik kan …)

In hoeverre sta je jezelf toe al jouw kwaliteiten in te zetten? Wat heb je eigenlijk in je mars? Welke verborgen kwaliteiten zou je kunnen ontwikkelen? Hoe zien anderen in je omgeving jouw kwaliteiten?

Bewustwording hiervan vergroot de kans dat je krachtiger opereert in de dagelijkse realiteit en jouw competenties beter tot hun recht laat komen.

De vraag die bij deze schil past, is: Wat kan ik?

 

Overtuigingen (ik wil, ik geloof …)

Als individu zijn er bepaalde (leef- en werk) gewoontes die je hanteert. Veelal vinden ze hun oorsprong in het (werk) verleden. Een aantal gewoontes draagt op een goede manier bij aan jouw huidige functioneren, maar een aantal andere is mogelijk niet functioneel in jouw werk. Vaak liggen daaraan diepgewortelde (onbewuste) overtuigingen ten grondslag. Overtuigingen gaan over wat je gelooft over jezelf, de ander of over de manier waarop de wereld in elkaar zit. Als je je bewust wordt van bestaande, remmende overtuigingen en nieuwe, ondersteunende overtuigingen creëert, vergroot je daarmee je mogelijkheden op het vertonen van meer gewenste competenties.

De vraag die bij deze schil past, is: Wat geloof ik?

 

Identiteit (Ik ben iemand die …)

Op dit niveau vinden we de constellatie van verschillende identiteitsrollen die iemand tot een unieke persoon maken. In de loop van ons verleden hebben wij ons vaak (onbewust) geïdentificeerd met bepaalde rollen. Sommige rollen helpen je in het ontwikkelen van een bepaalde competentie, andere belemmeren dat juist. Door je bewust te worden van deze rollen en waar nodig veranderingen aan te brengen in het samenspel ervan, kun je een competentie ontwikkelen.

De vraag die bij deze schil past, is: Wie ben ik?

 

Kern (De essentie)

De kern van de persoon is het eigenlijke zelf. Het is dat stuk van het zelf dat in staat is na te denken over alle andere niveaus. Op al deze andere niveaus kun je bewust veranderingen teweegbrengen. Op kernniveau valt echter niets te veranderen. Het is de essentie van ons zijn.

De vraag die bij deze schil past, is: Waarvoor besta ik? 

 

Voorbeeld________________________________________________________

Je neemt deel aan een vergadering (omgeving) en er ontspint zich een felle discussie. Je hebt een mening maar denkt: “Als ik volhard in mijn mening, ontstaat er wellicht een conflict. Dat mag niet, want ik heb geleerd dat je altijd moet streven naar consensus” (overtuiging). Jouw gedrag zal dan meegaand zijn. Je zult sneller besluiten tot het inleveren van (een deel van) jouw eigen mening. Het innerlijke proces zorgt er dan voor dat je weinig tot geen invloed uitoefent op het proces of de besluitvorming.

 

Belangrijk uitgangspunt bij het schillenmodel is dat de verschillende schillen effect hebben op elkaar. De niveaus aan de binnenkant van de ui beïnvloeden altijd de niveaus aan de buitenzijde. De niveaus aan de buitenzijde kunnen de niveaus aan de binnenkant beïnvloeden, maar dit hoeft niet te gebeuren.

 

Door Jaco Friedrich

 


 

De Tracé Academy biedt een aantal trainingen, waar de competentie ‘zelfreflectie’wordt behandeld. Bijvoorbeeld:

 

 Print deze pagina